Nu ze hier zo staat, bovenop de rots met de wiebelende touwbrug voor haar, zakt de moed haar in de schoenen. In haar hoofd leek het een avontuurlijk idee, maar nu kijkt ze rechts naar beneden in het dal. Daar ligt het pad dat meanderend de rivier volgt. Het pad dat ze beneden had kunnen inslaan, maar haar te makkelijk leek. Ze had zichzelf voorgenomen om de brug te trotseren en wilde nu niet opgeven, hoewel ze de mensen benijdde die ze beneden zag lopen. Maar ze wil het doen voor Tom. Enkele jaren geleden zouden ze samen de overtocht wagen, maar ze zag er vanaf toen ze voor de brug stond. Tom was alleen heen en weer gegaan. Nu zou ze het alsnog doen.
Ze kijkt weer vooruit en ziet Tom aan de overkant met een grote glimlach op zijn gezicht. Hij roept iets wat ze niet verstaat, omdat zijn woorden worden meegenomen door de wind. Zijn armgebaren zijn echter duidelijk: hij wil dat ze ook de oversteek maakt. Ze zucht eens diep en probeert haar paniek de baas te worden. Ze kan wel tien dingen bedenken die mis kunnen gaan en is ervan overtuigd dat het zal gebeuren. Tom had haar wijsgemaakt dat honderden mensen per jaar deze brug overstaken, maar ze had later ergens gelezen dat slechts een enkeling het durfde. De rest koos eieren voor zijn geld. Ze grinnikt omdat het typisch Tom was; feiten overdrijven om haar gerust te stellen.
Maar goed, denkt ze bij zichzelf. Ze kan hier wel blijven staan, maar uiteindelijk moet ze naar de overkant. Ze hoeft alleen maar over te steken en nog enkele kilometers te lopen. Daar is een hotelletje waar ze kan overnachten. Ze kijkt even achterom, alsof er misschien nog meer gegadigden zijn bij wie ze de kunst kan afkijken. Maar ‘de enkeling’ die het waagde, was zij op dit moment.
Ze schudt alle bezwaren denkbeeldig van zich af, loopt naar de brug en zet de eerste stappen. Ze houdt zich met beide handen vast aan de touwen en focust op haar voeten om ze bij elke plank goed neer te zetten. Ze denkt aan Toms woorden: ‘Niet naar beneden kijken.’ Daarnaast voelt ze dat de brug wiebelt door haar looppas. Het concentreren op haar voeten helpt haar om niet moedeloos te worden. Of zeeziek, hoewel ze hoog in de bergen is. Ze glimlacht om haar eigen gedachten.
Al schuifelend en mijmerend komt ze halverwege de brug, op het laagste punt. Ze pauzeert even en kijkt naar het einde van de brug voor haar. Ze ziet de trotse blik van Tom terwijl hij roept: ‘Kom op, schat, je bent er bijna. Zie je wel dat je het kunt?’ Ze lacht en zijn aanmoediging geeft haar wat meer zelfvertrouwen. Ze reikt naar achteren, pakt het waterflesje uit het zijvak van haar rugtas en neemt een paar slokken. Voorzichtig stopt ze het terug en pakt de touwen weer vast, klaar voor de tweede helft. De brug gaat nu licht omhoog, wat ze minder eng vindt dan naar beneden, waar de zwaartekracht haar parten kan spelen. Vol moed loopt ze langzaam verder.
Ineens stopt ze. De plank waar ze zojuist op ging staan, kraakt en ze trekt onmiddellijk haar voet terug. Haar angst is terug en ze begint snel te ademen. Haar handen knijpen in de touwen, haar knokkels wit. Ze sluit haar ogen en probeert zichzelf te kalmeren. Nu zal je het hebben. Ze was te overmoedig, dit krijg je ervan. Ze doet haar ogen weer open en kijkt naar de planken. Ze kan over deze plank heenstappen, maar wat als de rest ook kraakt? Besluiteloos en in paniek blijft ze stokstijf staan. Ze kijkt achterom, maar er is uiteraard niemand die haar kan helpen. De mensen die beneden lopen, zouden haar nooit kunnen horen.
‘Hé, kijk eens naar mij,’ hoort ze en ze kijkt naar voren, naar Tom. Natuurlijk Tom is er nog, hoe kon ze hem vergeten. Ze lacht naar hem, hoewel haar lijf nog trilt. Om hem is ze dit avontuur begonnen en hij zal haar erdoorheen helpen. Deze gedachten en zijn geruststellende glimlach brengen haar langzaam tot bedaren. Ze ademt een paar keer diep in en blaast de lucht uit tot haar hartslag zakt. Ze kijkt weer naar Tom. ‘Nog een paar stappen, Esmée. Ik ben zo trots op je, nu al.’ Zijn liefdevolle blik geeft haar het zetje in de rug dat ze nodig heeft.
Na nog een laatste zucht stapt ze over de krakende plank heen en ze merkt dat de volgende in orde is. Zo zet ze de laatste stappen tot ze het einde van de brug bereikt. Vol opluchting stapt ze op de rots en gooit haar handen in de lucht. ‘Joehoe,’ juicht ze en met een lach draait ze zich om, zodat ze eindelijk van het uitzicht kan genieten. Ze ziet de rivier beneden en het prachtige bos dat vanaf de heuvels naar beneden lijkt te glijden tot de oevers.
Ze hoort Toms warme stem achter zich: ‘Dat heb je toch maar mooi gedaan, schat. Je bent veel sterker dan je denkt. Vanaf hier red je het wel.’ Bij de laatste woorden draait ze zich om en nog een keer om. Tom is weg. Tom is al een tijdje weg. Ze weet het wel, maar soms is hij nog bij haar als ze het nodig heeft. De tranen van ontlading die ze voelde op haar wangen, mengen zich nu met tranen van verdriet. Ze blijft even naar het dal beneden staren tot een koude rilling haar weer bij haar zinnen brengt. Ze kijkt op haar horloge. Als ze voor het donker bij het hotel wil aankomen, kan ze beter verder gaan. Ze zet de eerste stappen en blijft dan even staan. Ze kijkt achterom en zegt: ‘Dag Tom.’ Ze glimlacht even en zet dan haar tocht voort. Ze kan dit.
©2026 Foxfictie

Geef een reactie