MENU

Afscheid van thuis

,

‘Och, Peter, kom op. Laat dat liggen, we moeten echt gaan nu!’ De paniek klinkt door in Cariens stem. Ze tikt met haar voet op de vloer om haar woorden kracht bij te zetten en kijkt ongeduldig naar Peter. Het oude speelgoedautootje, dat zijn moeder hem voor zijn 5e verjaardag had gegeven, brandt in zijn hand. Hij kijkt in zijn rugtas en stopt het nog snel tussen de kleding. Hij zucht diep, zijn adem bibbert van emotie. Hij is nu dankbaar dat zijn moeder vorig jaar is overleden. Zijn lieve moeder, die vijf jaar oorlog had meegemaakt met een hongerwinter en haar man jong had verloren, hoefde gelukkig deze ellende niet ook nog te doorstaan.

Hij slikt even en loopt dan met zijn rugtas en jas naar Carien. Ze zag heus wel wat het autootje met hem deed en geeft hem even een kus. Met hun voorhoofden tegen elkaar aan, zegt ze: ‘We komen hier doorheen, echt.’ Even knijpen ze in elkaars hand, dan beseffen ze dat ze moeten gaan. Carien opent de voordeur en ze stappen een onbekende toekomst tegemoet.

Buiten staan hun oudere buren zenuwachtig op de stoep. Carien loopt op ze af en vraagt of ze iets kan betekenen. De buurvrouw kijkt haar met betraande ogen aan: ‘Onze dochter komt ons zo ophalen, lieverd. Hoe moet het met jullie?’ Carien vertelt dat zij te voet gaan. De auto hadden ze niet meer en de fiets zou vooral een obstakel zijn. De buurvrouw legt een hand op haar wang op het moment dat haar dochter komt aanrijden: ‘We zouden je graag meenemen, maar helaas zit de auto vol met de kleinkinderen erbij.’ Ze lijkt zich schuldig te voelen en kijkt in de auto of er echt geen plek is. ‘Het is in orde,’ zegt Carien. ‘Pas goed op uzelf.’ Ze geeft het echtpaar een knuffel en ze geven Peter een hand. Dan stappen ze in, onzeker of ze elkaar ooit nog zien.

Peter en Carien kijken huilend om naar hun huis, hun thuis. Peter slaat een arm om haar schouders en zegt: ‘Kom op, meisje. Voor je het weet, zijn we weer terug.’ Ze knikken allebei alsof ze het echt geloven.

Ze zetten hun eerste stappen door de wijk, hun stad Breda uit, richting het zuiden. Overal zijn mensen onderweg, die net zo min weten hoe dit gaat aflopen. Sommigen zijn in paniek, anderen gaan gedwee mee zonder echt te beseffen wat er gebeurt.

In een paar jaar tijd is de situatie in Nederland onherkenbaar geworden. De olieprijzen, die door de onrust in de wereld de pan uit rezen en op steeds meer manieren invloed kregen, hadden veel mensen gedwongen om hun dagelijkse leven om te gooien. Auto’s werden van de hand gedaan, mensen gingen op hout koken om kosten te besparen en men ging spullen ruilen omdat de boodschappen onbetaalbaar werden. Het onderscheid tussen rijk en arm werd nog beter zichtbaar.

En dan was er nog de vijand uit het oosten die zijn rijk steeds verder uitbreidde. Wat eerder een ver-van-mijn-bedshow leek, veranderde langzaam in een levensecht horrorscenario. Zolang gebeurtenissen in een ander land plaatsvonden, was het nog makkelijk om naar je eigen leven te kijken en opgelucht adem te halen.

Het leek er sterk op dat Nederland binnen 72 uur bereikt zou zijn, gezien het tempo waarin het nu ging. Iedereen werd opgeroepen om het land te verlaten of mee te vechten. Meer keuzes waren er eigenlijk niet. Degenen die in het leger zaten, moesten uiteraard meevechten en er hadden zich ook veteranen aangesloten.

Peter en Carien hadden het op televisie gevolgd en eerlijk gezegd eerst hun schouders opgehaald. Het zou wel meevallen, dachten ze. Totdat duidelijk werd dat er weer een grens veroverd was en Duitsland al aan de beurt was. Bekende plekken waar ze op vakantie waren geweest, werden nu overspoeld door soldaten en tanks. Grote steden werden ingenomen. Van Duitsland naar Nederland was het een kleine stap.

Verbijsterd en verdrietig hadden ze elkaar aangekeken en besproken wat het beste was. Ze wilden het liefste vechten voor hun land, maar wie waren zij tegenover zo’n legermacht? Ze waren beiden boven de zestig. Ze zagen zichzelf niet vechten, maar waren nog fit genoeg om ergens heen te gaan. Ze hadden de volgende dag hun kinderen gebeld en afgesproken om naar dezelfde plek in België te vluchten, een hotel bij Brasschaat waar ze vroeger waren geweest. Daar zouden ze eerst veilig zijn.

Hun zoon en dochter hadden de auto ook volgeladen, elk met hun gezin; ook daar pasten ze helaas niet meer bij in. Carien had aan de telefoon gezegd dat het niet zo ver lopen was. Tenslotte hadden ze ook het Pieterpad gelopen. Haar dochter had gehuild en gezegd dat ze geen grappen mocht maken, maar Carien moest zich sterk houden. Ze vond het belangrijker dat haar kinderen veilig waren dan zijzelf maar dat zei ze niet. Carien en Peter waren nog snel naar het kerkhof gegaan en hadden afscheid van hun ouders genomen. Ze wisten niet of de plek nog zou bestaan na… na wat eigenlijk?

Een paar weken geleden hadden ze de auto verkocht. Ze reden er maar weinig mee en konden bijna alles op de fiets of met het openbaar vervoer doen. Ze waren zuinig op het geld dat ze, gelukkig contant, voor de auto hadden gekregen. Ze konden het goed gebruiken en hadden het bij de hand. De rijen bij de bank waren zo lang dat ze wellicht niet op tijd weg konden komen.

Ze hadden wat kleding mee, hun paspoorten, enkele foto’s, iets te eten en drinken en een licht gevulde toilettas. En natuurlijk de telefoonoplader: hun lijn met de rest van de wereld. Daarmee moesten ze het eerst maar redden. Ze zouden af en toe pauzeren als het niet meer ging, maar verder moesten ze zoveel mogelijk meters maken, zo snel als ze konden. Eenmaal in België kwam het vast in orde.

Vanuit heel Nederland proberen mensen naar het zuiden te gaan. Lopend, met de auto of de fiets. Ze komen mensen uit het noorden van het land tegen die ‘s nachts al vertrokken waren. Er zijn helaas ook velen die niet konden vluchten of nooit op tijd in België konden zijn.

Carien en Peter hadden hun route in etappes opgedeeld en kruisjes gezet op de kaart waar ze naar het toilet konden. Tijdens hun tocht komen ze erachter hoe naïef ze waren geweest. De enorme uittocht uit Nederland zorgt ervoor dat alle hotels, b&b’s en restaurants uitpuilen van mensen die ook ergens moeten schuilen. De kaart die ze hadden meegenomen was ook niet nodig geweest; ze hoefden alleen de rest te volgen. Ze beseffen nu: dit is geen wandeltocht. Dit is hoe het is om te vluchten. Ze moeten achter een boom plassen, zittend langs de kant eten en doorgaan, ook al voelen ze pijntjes. Maar dan met de vijand op hun hielen.

‘Denk aan de mensen van verder weg, schat,’ zegt Peter. ‘Voor ons is het nog relatief dichtbij en we hebben elkaar.’ Carien knikt, zich schamend om haar gezucht. Ze heeft ineens veel meer medelijden met mensen wereldwijd, die dagen, weken, maanden vluchten en nergens welkom zijn. Wat had zij nou eigenlijk te klagen? Met nieuwe moed stappen ze verder, nog uren te gaan tot hun eindbestemming.

Ze naderen de Belgische grens bij Wernhout. Normaal is deze makkelijk te passeren, maar blijkbaar is de controle weer opgeschroefd, net als vroeger. De lange rij zorgt voor oponthoud en vertraging. Carien ziet dat een oudere vrouw naast haar moeite heeft om zo lang te staan en helpt haar op een bankje. ‘Bent u hier alleen of is er familie mee?’ vraagt ze aan de vrouw. De vrouw, die uit zit te puffen, kijkt haar wanhopig aan en zegt: ‘Ik heb niemand, ik ben alleen van huis gegaan. Ik weet helemaal niet of ik het red, maar ik kon niet thuis gaan zitten wachten.’ Carien knikt en kijkt om zich heen. Peter is inmiddels opgeschoven in de rij. Carien loopt naar de douane-beambten en vraagt of er een rolstoel beschikbaar is. Ze schudden hun hoofd en gaan door met het controleren van de rij mensen.

Carien kijkt naar de oude vrouw, ze wil haar niet achterlaten. Dan tikt een jongen tegen haar arm: ‘Mevrouw, u mag onze bolderkar wel gebruiken.’ Hij wijst naar zijn kar waar wat spullen in liggen. ‘Die vrouw kan er wel bij, als we alles een beetje opschuiven.’ Carien kijkt dankbaar van hem naar zijn ouders. Die knikken en ze verdelen enkele spullen over hun tassen, zodat er meer ruimte komt. Ze haalt de oude vrouw op, legt de situatie uit en de dame knikt. Ze zet een paar wankele stappen, zich vasthoudend aan Carien, en stapt behoedzaam in de kar. Peter, die zich nu bij hun gevoegd heeft, biedt aan om de kar eerst een poos te trekken. Zo gaat het gezelschap verder, de controle verloopt goed en hun reis vervolgt zich in België.

De uren verstrijken, de stroom mensen glijdt voort. Ferme passen gaan over in vermoeid geschuifel. Af en toe wordt er gepauzeerd om wat bij te komen, maar iedereen voelt wel de urgentie om zo snel mogelijk door te gaan. Waar nodig ondersteunt men elkaar.

Tijdens één van de pauzes kijkt Carien op haar telefoon. Zowel haar dochter als zoon hebben een appje gestuurd dat ze onderweg zijn, maar het gaat gestaag. Ze zijn de grens al wel een poosje over. Carien stuurt een bericht terug dat zij nog enkele uren te gaan hebben en voegt een hartje toe.

Dan kijkt ze naar het laatste nieuws en leest dat de gevechten al plaatsvinden rondom Hamburg. Zo dicht bij Nederland, ze krijgt er rillingen van. Ze denkt met pijn in haar hart aan de mensen die niet weg kunnen komen en kan alleen maar hopen op een goede afloop. Wat kan ze anders doen? Peter komt bij haar staan, geeft haar een kus en zegt dat ze verder moeten. Ze knikt en veegt haar opkomende tranen weg. Ze stopt haar telefoon weg en pakt zijn hand.

Eindelijk, na enkele uren en vele kilometers komen ze in de buurt van het hotel. Carien negeert de blaar onder haar voet, ze is allang blij met het einde in zicht. Peter heeft de bolderkar opnieuw overgenomen, nadat de vader van het jongetje deze een tijd lang heeft meegetrokken. De oude dame houdt zich kranig, hoewel de hobbelige rit zeker niet makkelijk voor haar was.

Carien probeert over en langs de menigte te kijken of ze haar kinderen al ziet. Dat valt niet mee door alle mensen die samendrommen op de parkeerplaats van het hotel. Ineens ziet ze een hand zwaaien, het is haar kleindochter bij haar vader op de nek! Carien schiet vol en pakt Peter vast: ‘Daar zijn ze! Ze zijn er!’ Haar stem is vol emotie en opluchting. Peter volgt haar vinger met zijn ogen en hij zwaait naar zijn kleindochter zodra hij haar ziet. Hun zoon zet haar op de grond en ze rent op hun af: ‘Opa! Oma!’ Carien hurkt en vangt de kleine meid op. Ze omhelst haar alsof alles er vanaf hangt. Daarna lopen ze samen de laatste meters.

Carien heeft bij het hotel de oude dame uit de kar geholpen en naar binnen gebracht, zodat ze kan bijkomen. Ze heeft het gezin bedankt voor hun hulp.

Een beetje verloren staan ze nu bij elkaar; Carien, Peter, hun zoon en dochter met elk hun gezin. Ze zijn allemaal hier, maar weten niet wat er komen gaat. De nieuwsberichten zijn verontrustend. Het is helemaal niet zeker of ze hier wel veilig zijn of dat ze verder moeten vluchten.

Het hotel heeft geen bedden vrij, ze zullen op banken of op de grond moeten slapen. Voor een kleine prijs kunnen ze een maaltijd krijgen. Dat klinkt fantastisch na de lange tocht die ze achter de rug hebben.

Peter, die een trui uit zijn rugzak haalt, ziet het autootje weer en pakt het vast. Het is niet alleen een herinnering, maar ook een houvast. Hij ziet nu niet alleen wat hij heeft achtergelaten, maar ook wat hij nog heeft.

Gezamenlijk lopen ze het hotel in voor onderdak en warmte.

Niemand weet wat er komt, maar ze hebben elkaar.

©2026 Foxfictie


Ontdek meer van Foxfictie

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Geef een reactie