‘Ze zeggen dat het water eraan komt, ik hoorde het op de radio.’ Hendrik volgt het gesprek tussen zijn ouders. Zijn moeder probeert haar paniek te verbergen, maar hij hoort duidelijk dat haar stem trilt. Het is 31 januari 1953. Op de radio werd gewaarschuwd voor ongekend hoog water. ‘Ik heb het ook gehoord,’ zegt vader. ‘We gaan straks in het dorp zandzakken stapelen met iedereen uit de buurt. Het zal vast meevallen.’ Moeder knikt, maar ze lijkt steeds nerveuzer te worden.
Hendrik staart door het raam naar buiten. Het regent flink, maar dat gebeurt wel vaker. Hij vindt het altijd leuk om daarna in de plassen te spelen. Hij gebruikt dan een blad als boot en in zijn fantasie is hij de schipper. Hij ziet de dijk in de verte liggen; die zal hun vast beschermen.
Hij kijkt achterom naar zijn jongere broertje Willem en zusje Dina die samen zitten te spelen. Ze spelen met blokken, daar is hij al veel te groot voor. Hij haalt zijn schouders op, loopt de trap op en gaat op zijn kamer met zijn autogarage spelen. Een paar weken geleden kreeg hij deze op zijn verjaardag. Hij laat de autootjes heen en weer rijden met een vroem-vroem en vergeet de tijd.
‘s Avonds als Hendrik naar bed gaat, is de storm al behoorlijk toegenomen. Moeder stopt hem in en bidt met hem zijn nachtgebed. ‘Nu lekker slapen, jongen.’ Ze kust hem en hij ziet haar bezorgdheid, ook al doet ze of er niks aan de hand is. ‘Ik ben bang moeder,’ zegt Hendrik. Overdag voelde hij zich nog stoer, maar nu klinkt alles buiten angstaanjagender. ‘We hebben wel vaker storm gehad, ook deze gaat voorbij,’ zegt moeder glimlachend en ze laat een klein lampje aan. Hendrik ligt eerst nog naar de wind te luisteren, maar valt dan toch in slaap.
Sterke handen schudden hem wakker. ‘Hendrik, wakker worden, we moeten weg!’ Hij weet even niet waar hij is, maar ziet dan zijn vaders gezicht. ‘We moeten weg, het water is gekomen, de dijk is doorgebroken.’ Hendrik springt uit bed en ziet op de gang zijn moeder met Dina en Willem. Hij trekt snel wat kleren aan en loopt met zijn vader mee. Dan bedenkt hij zich, rent terug en pakt zijn autogarage. ‘Laat toch staan!’ zegt vader, maar Hendrik schudt zijn hoofd: die gaat mooi mee!
Hij verwacht dat ze de trap afgaan, maar het water staat al te hoog. Met z’n allen gaan ze naar de zolder, waar ze één voor één door het raampje moeten klimmen. Uiteindelijk zitten ze op het dak. Dina en Willem bibberend tegen moeder aan en Hendrik houdt zich aan vader vast. Hoewel de wind al wat afgenomen is, is het nog erg koud. Helemaal omdat ze er niet op gekleed zijn, ze moesten zo snel mogelijk weg. Hendrik staart met angst naar het water dat hen aan alle kanten insluit. Hij ziet spullen voorbijkomen, dode honden en…is dat…een mens? Zijn vader dekt snel zijn ogen af: ‘Niet kijken jongen, vergeet het snel.’
Na uren komt er een bootje om ze mee te nemen. Voorzichtig klimmen ze erin. Ze worden naar hoger gelegen gebied gebracht waar de hulpdiensten het overnemen. Ze krijgen droge kleren en warme soep.
Dagen later, wanneer het water gezakt is, wil Hendrik wel weer naar huis: ‘Moeder, laten we gaan, zodat ik thuis in de plassen kan spelen.’ Zijn moeder kijkt hem met tranen in de ogen aan en aait over zijn hoofd: ‘We moeten helaas een nieuw huis zoeken met nieuwe plassen.’
©2025 Foxfictie

Geef een reactie