Deze afgrijselijke hongerwinter houdt iedereen in zijn greep. Het eten raakt op, ze blijven nauwelijks warm in hun versleten kleren en schoenen met gaten. De voorraad hout slinkt. Elk beetje wordt telkens opnieuw aangestoken, in de hoop dat ze er nog een dag mee doorkomen. ‘s Nachts kruipen ze dicht tegen elkaar om warm te blijven.
Ze houden de zak eten samen goed vast, elk een hengsel. De twee broers voelen zich verantwoordelijk. Met de laatste centen zijn ze op pad gestuurd door hun ouders. Ze konden nog broden krijgen, aardappels en zelfs wat boter, een grotere schat bestond op dat moment niet. De flap bovenaan de zak hebben ze stevig dichtgemaakt zodat er niks uitvalt.
Hoewel ze sterke jongens zijn, eist de winter zijn tol. Door het weinige eten en te weinig slaap worden hun krachten minder, de kou verstijft ze en zorgt ervoor dat hun vingers pijn doen. De zak die ze vasthouden, voelen ze amper nog, maar ze moeten doorlopen. Ze moedigen elkaar aan als het bijna niet meer gaat. Nog maar twee uren lopen voor ze weer thuis zijn. Dan hebben ze in ieder geval weer een tijdje te eten als ze zuinig aan doen en soms misschien een dag overslaan. Ze kunnen ijs smelten en opdrinken. Een dag eten is minder noodzakelijk dan drinken. Zolang niemand maar ziek wordt, medicijnen zijn er al helemaal niet.
Ze steken de rivier over en verlaten de stad. Het aantal huizen wordt hier snel minder en de snijdende wind, die nu nog amper tegengehouden wordt door bebouwing, wordt harder. Tranen lopen over hun wangen, de gebarsten lippen doen steeds meer pijn. Hun hoofden zijn nog beschermd door een muts, maar de wol van de handschoenen heeft moeder gebruikt om de sokken zo goed mogelijk te stoppen. Maar ze klagen niet teveel, want ze hebben elkaar nog en een tas vol met eten die veilig thuis moet komen.
Het laatste uur moeten ze de heuvels in, omhoog tegen de wind. “Kom op Fritz, nog even volhouden. Denk aan het warme huis straks.” Heinrich, die als oudste sterk wil overkomen, ook al voelt hij zich niet zo, moedigt zijn jongere broer aan die het moeilijk heeft. Voetje voor voetje schuiven ze verder over de weg. Erg veel tempo hebben ze niet meer, hun energie raakt ook op. Ze lopen al minder stevig, meer wankelend. Zodra ze het bos binnenlopen en ze omgeven worden door bomen, is de wind weer iets minder hard. Ze schuifelen verder en praten steeds minder. Na een tijdje houdt Heinrich zijn vrije hand met de handpalm naar boven voor zich, kleine vlokjes vallen erin. Sneeuw. Ook dat nog.
Al snel begint het harder en harder te sneeuwen. Er vormt zich een laag op de weg en overal waar ze kijken, ook zelf raken ze bedekt met het witte goed. Nu trekt de wind ook weer aan en begint de sneeuw bijna horizontaal te waaien. Hun zicht wordt enorm belemmerd en de sneeuw plakt aan hun gezicht, handen, kleding. Het waait door de gaten in hun jas waardoor ze nog kouder worden.
Ze wisselen van plek zodat ze de zak met hun andere hand kunnen dragen en de eerder gebruikte hand kan rusten. De sneeuw is zo venijnig en de laag wordt zo dik dat ze al snel nauwelijks nog kunnen bewegen. Er is niemand anders te bekennen, ze voelen zich eenzaam.
Fritz kijkt naar zijn oudere broer: ”Ik kan niet meer Heinrich. Het…het is te zwaar…ik moet even zitten.” Heinrich kijkt hem met tranen in de ogen aan: ”Nu niet opgeven, we zijn zo dichtbij.” Maar ook hij is duidelijk bijna aan het eind van zijn krachten. Hij zet de zak neer, ze omhelzen elkaar en proberen elkaar warm te wrijven. Het lukt niet, ze zijn beide stijf van de kou, moe, uitgehongerd en de sneeuwstorm is genadeloos. “Fritz, kom, we gaan heel even tegen deze boom aanzitten tot we weer op krachten zijn.”
Samen laten ze zich zakken, vallen bijna, en ze zetten de zak tussen hen in. Ze houden elkaar stevig vast maar kunnen niet stoppen met rillen. Ze kunnen amper hun ogen openhouden, zo uitgeput zijn ze. De laag sneeuw op hun gezicht is niet weg te vegen, ze hebben geen gevoel meer in de handen en geen kracht meer. “Niet gaan slapen Fritz, dan worden we niet weer wakker”, zegt Heinrich. Maar Fritz heeft zijn ogen al dicht en reageert niet meer. In de verte is hun huis te zien maar ze kunnen niet meer. Heinrich huilt het uit en buigt zich over zijn broer.
Hun vader hoort een vreemd geluid uit het bos, maar negeert het. Misschien een dier in nood? Met dit weer heeft het geen zin om naar buiten te gaan.
In de vroege ochtend wanneer de storm is gaan liggen en de jongens nog niet thuis zijn, loopt hij het pad af in het bos waar ze langsgekomen moeten zijn. Hij schreeuwt het uit als hij ze samen vindt onderaan een boom.
Gebaseerd op een echt verhaal. In 1847 was er in grote delen van Europa hongersnood; dit specifieke voorval speelde zich af in Duitsland. De namen zijn fictief. Ze hadden brood bij zich. Je vraagt je af waarom ze het brood niet onderweg aten. Misschien wilden ze het thuis brengen, als bewijs dat ze het hadden gered. Misschien was het bevroren of bedorven. We zullen het nooit zeker weten. Zo zijn er zoveel voorbeelden.
Zie voor meer informatie: Hotel Heiderhof NL
©2025 Foxfictie

Geef een reactie