Daar staat ie dan, de kist. Mooi glanzend en van binnen bekleed met gebroken wit zacht fluweel. Schitterend. Behalve dan het een doodskist is. Het laatste huis, de rustplaats, zes planken.
Heel zijn leven had hij gezwoegd, gesjouwd, voor brood op de plank gezorgd. Zijn vrouw en vijf kinderen gevoed en kleding om het lijf gegeven. Zes dagen per week gewerkt, lange dagen ook nog. Zwart kwam hij thuis van het werk in de mijn. Zijn handen gespierd en eeltig. Zijn rug pijnlijk van het zware werk.
Wanneer hij thuis kwam, stond het eten klaar. Veel aardappelen en veel vlees, zodat hij het werk kon volhouden. Hij viel gelijk aan zodra hij binnen was, honger als een paard. Hij raakte steeds meer verhard, verbitterd. Een gesprek met zijn vrouw zat er nauwelijks meer in. Een grauw, een bevel. Ze was er om hem in alles te dienen, zo zag hij dat. In de keuken, in de opvoeding en ook in bed. Ze moest er gewoon voor hem zijn. Van liefde was allang geen sprake meer.
De kinderen kende hij nauwelijks. Ze groeiden, gingen naar school. De opvoeding was zijn taak niet, hij zorgde voor een gevuld bord. Een kast met kleren. Een huis om in te wonen.
Hij zag ze enkel bij de maaltijd of later in de avond als hij zich gewassen had en de ouder wordende kinderen nog op waren. Ook dan werd er niet gesproken. Niet echt. Hij kende ze niet en zij hem niet. De spanning was om te snijden.
Waar zijn vrouw zich mee bezighield, ontging hem dan ook volkomen. Dat zij ongelukkig was al helemaal. Het kwam ook niet in hem op, ze kreeg toch alles?
Maar zij zag dat anders. Zij hield dit leven niet lang meer vol. De man die haar vroeger beminde en liefhad, nam haar nu voor lief zonder haar echt te zien. Ze was zijn vrouw niet meer, maar een dienstmeid.
De kinderen gingen één voor één het huis uit en uiteindelijk was ze alleen. Nou ja, met hem. Maar dan was ze liever alleen.
Ze had wel nagedacht. Het huis was best wat waard en van het geld dat ze zou krijgen, zou ze het een hele poos kunnen volhouden. Ze kon altijd nog bij iemand in betrekking gaan, ze wist immers niet beter. Of wie weet, vond ze een rijke man die haar wel zag staan. Tegen de kinderen zou ze zeggen dat het zware werk hem teveel was geworden.
De laatste tijd had ze rattengif door het eten gedaan zodra haar man thuiskwam. Hij keek nooit op of om, maar schrokte alles zo naar binnen. Hij proefde het niet eens. Ze keek toe terwijl hij elke kruimel naar binnen werkte.
En daar staat hij dan, de kist. De mensen schudden haar hand en leven met haar en haar kinderen mee. Ze zien haar staan, starend naar de kist in haar zwarte kleding. Ze glimlacht naar bekenden en bedankt hen voor hun komst. Niemand vindt het raar dat de tranen haar over de wangen lopen. Ze zijn echter niet van verdriet.
© 2025 Foxfictie

Geef een reactie